Data out there!

Een informatiesysteem zonder informatie is als een vrachtschip zonder vracht, als een handelsroute zonder handel en als een maanmissie zonder maan. De waarde en kwaliteit van een informatiesysteem wordt bepaald door de waarde en kwaliteit van de informatie.

Maar wat is informatie precies? Volgens wikipedia is de definitie van informatie als volgt: Onder informatie (van Latijn informare: “vormgeven, vormen, instrueren”) verstaat men in algemene zin alles wat kennis of bepaaldheid toevoegt en zodoende onwetendheid, onzekerheid of onbepaaldheid vermindert.

Op basis van die definitie zou je kunnen concluderen dat een informatiesysteem zonder informatie een dom (onwetend) systeem is.

Ik hanteer zelf graag de volgende eenvoudige definitie:

Informatie is een combinatie van gegevens (data) waarop je een beslissing kunt nemen.

Een informatiesysteem met slechte informatie leidt dus, heel kort door de bocht, tot slechte beslissingen.

Je ziet in “mijn” definitie overigens ook mooi het onderscheid tussen gegevens en informatie. Informatie is een aggregatie van gegevens. In de ideale situatie is een gegeven een geregistreerd feit. In de praktijk is de feitelijke waarheid  van een gegeven niet altijd 100% zuiver of nauwkeurig, maar data hoeven ook niet 100% zuiver te zijn om er informatie van te kunnen maken. Er mogen best afwijkingen zijn van het daadwerkelijke feit. Geografische informatiesystemen (GIS) bevatten liggingsgegevens (coördinaten) die afhankelijk zijn van de nauwkeurigheid van de (destijds) gebruikte meetinstrumenten bij de driehoeksmeting. Een foutmarge van enkele meters rondom de feitelijke ligging is niet abnormaal. Ondanks deze onnauwkeurigheid zijn GIS-data toch heel nuttig.

In ons dagelijks bestaan worden we meer en meer afhankelijk van data. Organisaties worden meer en meer data-gestuurd. Om die data te beheren en de kwaliteit ervan te beheersen richten die organisaties datamanagementprocessen in. Eigenlijk moet je ook niet spreken van slechte of goede data, maar van bruikbare en onbruikbare data. En daarnaast van nuttige en nutteloze data. Het nut van data bepaalt het belang van de kwaliteit ervan. De mate van bruikbaarheid wordt bepaald door de kwaliteit.

Datamanagement zou zich dan moeten richten op het managen van data die nuttig zijn. Maar wie bepaalt wat nuttig is en wat niet? Op die vraag heb ik zelf geen pasklaar antwoord. Nut zal variëren over de tijd. Nut heb je ook in gradaties, van handig tot noodzakelijk. In ieder geval mag je concluderen dat het nut en de kwaliteit van data bepalend zijn voor het nut en de kwaliteit van informatie.

Naast kwaliteit is er nog een andere bepalende factor voor de bruikbaarheid van data: de toegankelijkheid. Als je er niet bij kunt op het moment dat je het nodig hebt, kun je het niet gebruiken, hoe hoog de kwaliteit ervan ook is. Ontoegankelijke of onbereikbare data zijn sowieso onbruikbaar. Data moet ongehinderd door systeemgrenzen door de processen van een organisatie kunnen stromen. Zodat ze op de plekken terecht kunnen komen waar ze van nut zijn. Zodat deze data kunnen worden gecombineerd met andere data en nuttige en bruikbare informatie kan ontstaan.

Een informatiesysteem moet gebruikers voorzien van bruikbare informatie. De waarde en kwaliteit van een informatiesysteem wordt bepaald door de waarde en kwaliteit van de informatie. Daar begon ik dit stuk mee. Data vormen de basis-ingrediënten van de informatie. Zonder data geen informatie. Waardevolle data maakt waardevolle informatie. Zonder informatie zijn we stuurloos, dus verzamelen en koesteren we de data die we waardevol (nuttig en bruikbaar) achten. Data is van strategisch belang geworden, al is dat besef vaak niet overal in de organisatie aanwezig. Vaak beseft degene die data moet verzamelen en registreren onvoldoende het belang ervan voor de processen verderop in de keten. Het gebruiksgemak van de systemen waarmee we data registreren zijn hierop natuurlijk sterk van invloed.

Als slogan om dat koesteren van waardevolle data te benadrukken dacht ik laatst aan “Data inside”, naar voorbeeld van stickers op auto’s met “Baby inside”, maar zag daar meteen vanaf. Bij “inside” denk ik namelijk meteen aan afschermen. Afgeschermde data is minder toegankelijk, en daarmee minder bruikbaar. Deze voelt veel beter: Data out there!

De GIS-Architect

Het gezicht dat me aankijkt als ik in de spiegel kijk, zou van een GIS-Architect kunnen zijn. Ik weet in ieder geval vrij zeker dat de beste man een IS-Architect is. De ‘G’ is een recente toevoeging. Formeel ben ik een informatie-architect. Ik hou me blijkbaar bezig met het beschrijven van inhoudelijke relaties en samenhang tussen toepassingen en gegevensverzamelingen onderling.

TOGAF levert de volgende definities van Architectuur:
1. Een formele beschrijving van een systeem, of een gedetaileerde blauwdruk van het systeem op componentniveau ter begeleiding van de implementatie van dat systeem (ISO/IEC 42010:2007).
2. De structuur van componenten, hun onderlinge afhankelijkheden en de principes en richtlijnen die hun ontwerp en ontwikkeling sturen.

Ik ben dus zo vrij om informatie-architect gelijk te stellen aan informatiesysteem-architect, afgekort: IS-Architect. In de afgelopen jaren werd ik geleidelijk het aanspreekpunt voor alle GIS-Architectuur binnen de organisatie waar ik werkzaam ben, dus mag ik er een ‘G’ voor zetten. Ook maak ik sinds kort deel uit van de Afdeling GEO ICT. De teamleden noemen mij “onze GIS-Architect”, wat me een warm gevoel geeft. Zo werd ik dus GIS-Architect.

Maar wat is een GIS-Architect? Dat is een vraag die me de laatste tijd veel bezig houdt. Ik zie het vooral als een focus van de generieke definities van Architectuur op een specifiek soort systemen, namelijk Geografische Informatiesystemen. En dat geeft me ook de houvast die ik zoek. Een GIS-Architect:
– beschrijft de inhoudelijke relaties en samenhang tussen GIS-toepassingen en GIS-gegevensverzamelingen onderling;
– beschrijft de structuur van componenten van een GIS-Architectuur en hun onderlinge afhankelijkheden;
– en beschrijft de principes en richtlijnen voor de sturing van het ontwerp en ontwikkeling van die componenten.

En in die hoedanigheid hou ik mij momenteel bezig met de architectuur van een complex geografisch informatiesysteem (GIS) dat een zeer groot aantal gebruikers in staat stelt om spatiale data te creëren, beheren, delen en gebruiken binnen een breed scala aan toepassingen. Dit GIS is bovendien geïntegreerd met andere grote bedrijfssystemen (ERP, DMS, …). Ook is er een groeiende trend om de spatiale data uit het GIS in andere bedrijfssystemen in te passen, of omgekeerd, om spatiale kenmerken toe te voegen aan data in andere systemen. Een GIS van dat kaliber wordt ook Enterprise GIS genoemd.

Mezelf dan maar Enterprise GIS-Architect te noemen gaat me nu te ver. Alhoewel ik me ook ooit eerst Architect ben gaan noemen om het te worden. Ik volgde toen namelijk letterlijk het advies op dat ik ooit kreeg toen ik aan een Architect vroeg hoe je Architect wordt. Het antwoord was toen: Door “Architect” op je visitekaartje te zetten. En dan natuurlijk ook zorgen dat je vooral veel ervaring als Architect op doet. Ik ben me dus sterk gaan profileren als architect, en rolde daardoor in de door mij begeerde architectuurfuncties. En nu ben ik in de Enterprise GIS-Architectuur-functie gerold. Het profiel ijlt nog wat na, maar dat zie ik als prachtige ruimte voor persoonlijke groei.

Toevoeging:

Informatie-architectuur, en dan dus ook GIS-architectuur is uiteindelijk ook een team-competentie. Ik spreek zelf vaak van eerste- en tweede-lijns architecten. M.i. zijn informatie-analisten 1e-lijns informatie-architecten. Zij kunnen voor de minder complexe changes een impact analyse doen en een eerste toets op architectuur compliancy op basis van de principes en het beleid aangereikt vanuit de tweede lijn.