Het principe van het architectuurprincipe

Het architectuurprincipe staat de laatste tijd regelmatig ter discussie. Hebben we ze nog wel nodig? Moeten we ze niet gewoon allemaal overboord gooien? Persoonlijk denk ik dat je alleen de nutteloze en/of onhanteerbare principes overboord moet doen. Deze bederven het namelijk voor de principes die wel nuttig zijn. Iemand zei ooit eens tegen me: overbodige architectuurprincipes moeten zonder pardon overboord, en ze worden overbodig als je ermee hebt bereikt wat je wilde bereiken. Dat lijkt mij niet juist. Architectuurprincipes lijken daarmee doelen op zich, en dat voelt verkeerd.

Mijn indruk is verder dat de betekenis van het architectuurprincipe misschien niet meer helemaal zuiver is, of niet meer door iedereen op dezelfde manier wordt begrepen. Het vervelende van het woord principe is dat het meerdere betekenissen heeft. Ik laat ze hieronder maar eens de revue passeren.

Werking

Het principe van een gloeilamp is dat het licht geeft omdat er een elektrische stroom door de gloeispiraal gaat. Hierdoor wordt de gloeispiraal heet (drieduizend graden) en straalt dan licht uit. Zo werkt het. Een handige uitvinding waardoor je ’s avonds een boek kunt lezen.

Grondslag, wet

Volgens het principe van Fermat is de weg die dat licht van gloeispiraal tot jouw boek aflegt altijd de weg die in de kortste tijd kan worden afgelegd.  Een natuurkunde-wet waar geen photon aan ontkomt. Deze bewering is altijd waar. Dat is wetenschappelijk aangetoond en verklaard. Daarom mag je het als basisprincipe (grondslag, axioma) voor andere wetten gebruiken. Bijvoorbeeld voor het bepalen van de hoek waarmee licht wordt gebroken bij een materiaal-overgang (wet van Snellius).

Maar je kunt ook niet bewezen beweringen, theorieën, als grondslag voor andere stellingen gebruiken. De hedendaagse rekenkunde zou bijvoorbeeld niet kunnen bestaan zonder de theorie van het natuurlijke getal. Deze theorie, de rekenkunde van Peano, is gebaseerd op een overzichtelijk rijtje basisprincipes die ondubbelzinnige bepalen wat de reeks van natuurlijke getallen is.

Grondbeginsel

Grondbeginselen zijn fundamentele principes die de wezenlijke basis vormen van iets. In de wetenschap voer je bijvoorbeeld nooit bovennatuurlijke krachten aan als verklaring voor een verschijnsel. Vanuit dat principe ligt alles wat we niet rationeel kunnen verklaren altijd aan ontbrekend inzicht. Het is een belangrijk grondbeginsel van de wetenschap. Daarmee onderscheidt het zich van religie.

Bij religie staan hogere machten juist centraal in de verklaring van verschijnselen. Die hogere machten kunnen goden zijn, maar dat hoeft niet. Taoïsten zoeken bijvoorbeeld geen verklaring in Opperwezens, maar zien de loop der dingen eenvoudig als een natuurlijk principe. Het is zoals het is, omdat het is zoals het is.

Afspraak

Maar natuurlijk kun je als mens ook gewoon een zelf gekozen standpunt innemen. Zo kun je er bijvoorbeeld voor kiezen om volgens bepaalde regels te leven. Je kunt bijvoorbeeld uit principe geen vlees eten. Of uit principe alleen aardbeien eten  die uit Nederland komen en niet in een kas zijn gekweekt. Of uit principe  geen Apple-technologie willen gebruiken. Of uit principe niet gokken. Dit soort principes zijn afspraken met jezelf, en zijn sterk bepalend voor je gedrag. Soms doe ik wel eens gek en gooi ik een principe pardoes overboord. Bijvoorbeeld als ik in november of zo plotseling overmand word door trek in aardbeien. Dan moet je wat.

Spelregels?

Terug naar het architectuurprincipe. Welke van de bovenstaande betekenissen is hierop van toepassing? Als je het mij vraagt is het principe van het architectuurprincipe dat deze houvast geeft bij het ontwerpen van solution architecturen voor nieuwe informatievoorzieningen. Een architectuurprincipe ligt in het verlengde van de strategische doelen van de organisatie. Ze dienen ertoe om de organisatie te helpen bewegen in een verstandige richting, de richting van de strategische koers. Ze dienen ertoe om nieuwe informatievoorzieningen de strategische koers zo goed mogelijk te laten ondersteunen. Zo goed mogelijk, maar het zijn ook weer geen natuurwetten waaraan geen solution architectuur ontkomt.

Op zijn best zijn architectuurprincipes dus gemeenschappelijke afspraken over de manieren waarop informatievoorzieningen mogen worden ontworpen. Deze afspraken begrenzen de ruimte waarbinnen de ontwerper autonoom kan bepalen uit welke componenten de oplossing bestaat en hoe deze met elkaar in verband staan. Zo’n afspraak wordt begrepen en gedragen door iedereen die eraan wordt onderworpen. Soms zitten ze je behoorlijk dwars en lap je ze graag aan je laars. Een beetje zoals spelregels in de sport. Dat brengt me op het idee om ook maar een fluitje om te hangen en gele en rode kaart in mijn borstzakje te steken. Natuurlijk ben ik nooit partijdig.

Advertenties

Chef Kok versus Enterprise Architect

Een jaar of wat geleden was er een TV-programma “Master Chef”. Een soort Idols voor kooktalenten. In dit programma moesten kandidaten (amateurkoks eigenlijk) meedraaien in een keuken van een echte master chef. In zo’n keuken gaat het er dynamisch aan toe.

Ik ben zelf overigens bepaald geen kooktalent en heb op dat gebied ook geen ambities. Eten bereiden kan ik wel, want dat zie ik als een belangrijke basisvaardigheid voor de ondersteuning van mijn gezin. Eten bereiden is een kwestie van het volgen van een in zekere mate vast proces met vaste ingrediënten. Daar komt weinig creativiteit bij kijken en het vereist nauwelijks improvisatievermogen. Maar koken kan ik dus nadrukkelijk niet. Koken is een creatief proces waarbij de kwaliteit van het resultaat in grote mate af hangt van de kennis, improvisatievermogen, finesse en oog voor detail van de kok. Een kok past wel bepaalde vaste bereidingspatronen toe, maar doet dit zoals een muzikant dit doet met akkoorden en ritmische basispatronen. Koken is een kunstvorm en een ambacht tegelijk.

Een chef kok is de baas in de keuken van een restaurant in de zin dat hij bepaalt welke gerechten zijn keuken op welke wijze voort brengt, en in de zin dat hij toeziet op de kwaliteit. Van de keuken van een restaurant wordt een vaste en voorspelbare kwaliteit verwacht. De gerechten die de keuken voort brengt moeten passen bij het (gewenste) imago en kernwaarden van het restaurant, en de beleving van de doelgroep van het restaurant (klanten).

foodarchitect

Een master chef is een erkende meester in zijn vak en heeft een bepalende en richtinggevende functie. Je zou de master chef ook kunnen beschouwen als een Food Architect. Hij is in belangrijke mate verantwoordelijk voor het ontwerpen van de samenstelling en wijze van voortbrenging van nieuwe gerechten. Nieuwe gerechten of verbeteringen van gerechten of de bereidingswijze daarvan worden door de master chef ontworpen op basis van food trends, ontwikkelingen in kooktechniek, seizoenspatronen, et cetera.

Naast het creëren van een nieuw gerecht (vernieuwing) moet een master chef in staat zijn dit gerecht reproduceerbaar te maken voor de keuken van zijn restaurant, met behoud van de verwachte kwaliteit (beheersing). De onvoorspelbare dynamiek rond de  beschikbaarheid en kwaliteit van benodigde ingrediënten, maar ook de trends en ontwikkelingen op het gebied van voedsel en bereidingstechnieken en de verwachtingen van klanten vereist het vermogen om te kunnen anticiperen op veranderingen (toekomstvastheid).

Je ziet het, ik bezie dit allemaal door de bril van een Enterprise Architect. In de ICT wordt de keuken-analogie dikwijls toegepast. Van een ICT-afdeling wordt verwacht dat zij in staat is om binnen voorspelbare tijd, binnen voorspelbare kosten en met voorspelbare kwaliteit informatievoorzieningen voort te brengen. De ingrediënten bestaan uit basisvoorzieningen zoals portal, data warehouse en IAM, maar ook uit nieuw ingekochte technologieën. Van de gemiddelde ICT-afdeling wordt eigenlijk geen kookkunst verwacht maar vooral de bereiding volgens bewezen recepten.

Nu wil ik trouwens niet zo ver gaan dat een Enterprise Architect de baas is van de keuken en altijd een erkende meester is in zijn vakgebied, hoewel dat laatste op zich niet slecht zou zijn. Wel zie ik interessante parallellen tussen een Master Chef en een Enterprise Architect:

Master Chef Enterprise Architect
verantwoordelijk voor het ontwerpen van de samenstelling en wijze van voortbrenging van nieuwe gerechten verantwoordelijk voor het ontwerpen van de samenstelling en wijze van voortbrenging van nieuwe systemen
Nieuwe gerechten of verbeteringen van gerechten of de bereidingswijze daarvan worden door de master chef ontworpen op basis van food trends, ontwikkelingen in kooktechniek, seizoenspatronen, et cetera. Nieuwe of verbeteringen/uitbreidingen aan informatievoorzieningen of de voortbrengingswijze daarvan worden door de informatie architect ontworpen op basis van technology trends, ontwikkelingen in methodieken en architecture patterns, et cetera.
De onvoorspelbare dynamiek rond de  beschikbaarheid en kwaliteit van benodigde ingrediënten, maar ook de trends en ontwikkelingen op het gebied van bereidingstechnieken en de verwachtingen van klanten vereist het vermogen om te kunnen anticiperen op veranderingen De onvoorspelbare dynamiek rond de  beschikbaarheid van gebruikte technologie en de kennis daarvan, maar ook de trends en ontwikkelingen in de markt op het gebied van technologie  en ontwikkelmethoden en de verwachtingen die de klant ten aanzien daarvan heeft, vereist het vermogen om te kunnen anticiperen op veranderingen.

Infoloog, -noom of -soof?

Op LinkedIn profileer ik mij al jaren trots als Architect. Gedurende mijn loopbaan was ik diverse architecten: Software Architect, Solution Architect, Informatiearchitect, Domeinarchitect, Geo-Informatiearchitect en nu Enterprise Architect. In die hoedanigheid bracht ik vandaag weer eens een bezoek aan het Landelijk Architectuur-Congres (LAC). In zijn keynote drukte Rini van Solingen daar de neuzen van de aanwezige architecten fijntjes op het feit dat hun vak niet bestaat. Er bestaat geen vakopleiding voor. We bestaan evenmin als de eenhoorn. An unconvenient truth.

Zelf ben ik gediplomeerd informaticus. Na 20+ jaren ervaring en wat certificeringen mag ik mezelf architect noemen. Maar het is een officieuse titel. Officieel ben ik informaticus, informatiekundige. Op feestjes zeg ik gemakshalve vaak dat ik “in de ICT” zit. Een aantal jaren geleden bedacht ik daarom dat ik mezelf voortaan misschien beter infoloog kon noemen. Want beroepen die eindigen op loog hebben (in mijn beleving althans) meer befaamde beoefenaars. Denk bijvoorbeld aan Charles Darwin, Sigmund Freud en Mary Anning. Met en beroep dat eindigt op “-loog” kun je op feestjes aankomen.

Zou “infoloog” wellicht een goed aternatief voor “architect” kunnen zijn? Ik heb het zelf verzonnen begrip “infologie” eigenlijk nooit verder uitgediept. Hier doe ik een poging: Infologie bestaat uit “info” en “logie”. Info is (uiteraard) kort voor “informatie”, wat in de Romijnse tijd al “begrip, voorstelling, vorm” betekende. Het deel “-logie” betekent “-wetenschap of -theorie”, wat weer is afgeleid van -lógos (Grieks): ‘die zich met een bepaald onderwerp bezighoudt’. Een infoloog houdt zich dan (kort door de bocht geredeneerd) dus bezig met theorieen over begrip, voorstelling en vorm. Met een beetje fantasie kun je daar wel een architect in herkennen, maar het is mager.

We zouden -logie ook nog kunnen vervangen door -nomie, wat “-onderzoek, -leer of -studie” betekent, en is afgeleid van -nómos (Grieks): ordenen. Misschien zijn architecten wel “gewoon” infonomen: zij die begrip, voorstelling en vorm ordenen. Zou kunnen op zich, maar het dekt maar een deel van de lading.

Laat ik tenslotte ook nog even “-sofie” beschouwen. Ik neem weer even de korte bocht: een filosoof begeert (filo) wijsheid (sofie). Filosofie = wijsbegeerte. Zonder “filo” blijft alleen nog “wijsheid” over. Infosofen zijn erg wijs op het gebied van begrip, vorm en voorstelling. Architecten worden veel wijsheid toegedicht, dus deze past ook redelijk.

Welke van de drie uit mijn fantasie ontsproten termen zou “architect” kunnen vervangen? Die vraag is niet eenvoudig te beantwoorden, want wat is/doet een architect? Een architect houdt zich bezig met architectuur. Okee, maar wat is dan architectuur? Ik hanteer zelf meestal deze sterk vereenvoudigde definitie: architectuur beschrijft de structuur (componenten en onderlinge samenhang) van systemen, en geeft verstandige richting aan de ontwikkeling ervan. Een architect geeft richting aan de vorming van deze systemen, en maakt voorstellingen van (aspecten) van systemen zodat het begrip daarvan toeneemt. Met veel creativiteit heb ik de woorden begrip, vorm en voorstelling hierin verwerkt zodat “info” is afgedekt. Persoonlijk vind ik infosoof dan nog het beste passen. Wat denk jij?

Altijd ter plaatse

Vorige week liep ik nog rond in Sorrento. Een oud Italiaans stadje op het schiereiland Sorrentina in de provincie Napels. Er heerst daar een heerlijk, mild, mediterraan klimaat. Overal waar ik keek zag ik citroenen hangen. Daar wen je snel aan natuurlijk. Just another lemon tree, dacht ik dan als ik er wéér eentje zag.

Lemon field, Fruit, Sorrento, Italy

De reden voor mijn aanwezigheid aldaar werd niet zozeer gevormd door het mooie weer en  de citroenbomen (alhoewel…) als wel het G.E. Grid Solutions Summit. Een conferentie die zich richt op het ondersteunen van de nuts-sector bij het moderniseren van hun distributienetten (grids) door middel van IT-oplossingen die ervoor zorgen dat de levering van elektriciteit, gas en water op veilige, betrouwbare en efficiënte wijze (blijven) gebeuren. Die modernisering is nodig omdat de distributienetten de toenemende vraag naar energie en water moeten blijven aankunnen, maar vooral omdat deze netten steeds slimmer moeten worden in het kader van de verduurzaming van de energie- en waterwinning.

General Electric (G.E.) presenteerde op de conferentie haar visie op het gebied van de in de nutssector benodigde modernisering en de hiervoor ontwikkelde nieuwe oplossingen, tezamen met diverse partnerbedrijven en referenties. De rode draad in deze visie wordt gevormd door de vergaande digitalisering en automatisering van de bedrijfsvoering en het “slimmer maken” van de netten. Door middel van slimme meters, telemetrie en sensoren wordt de dynamiek in deze netten steeds nauwkeuriger gevolgd en wordt op basis daarvan slimmer in deze netten geschakeld. De nutsbedrijven moeten steeds beter in staat worden om grote hoeveelheden data (afkomstig van vele onderdelen in hun distributienetten) real-time te verwerken en te gebruiken voor de sturing van de primaire processen.

Mijn werkgever, Vitens, is het grootste waterbedrijf van Nederland, en beheert daarmee het grootste drinkwaterdistributienetwerk van Nederland. Vitens stelt zichzelf (onder meer) als doel om drinkwater van onberispelijke kwaliteit te leveren. De bedrijfsvoering moet adequaat beschermd zijn tegen verstoringen, en als deze optreden, dan zijn de getroffen klanten op tijd – bij voorkeur voortijdig – en goed geïnformeerd.

Om de betrouwbaarheid van de levering verder te vergroten, en om in staat te zijn om haar klanten beter en proactief te informeren over verstoringen, is het van belang dat Vitens betrouwbare en actuele data heeft over de toestand van haar leidingennetwerk, over de toestand en kwaliteit van de waterbronnen en de bedrijfsmiddelen, over de locatie en status van werkzaamheden van de monteurs in het veld en over de aangesloten klanten. Ook Vitens wil (en moet) steeds beter in staat worden om grote hoeveelheden data (afkomstig van vele onderdelen in het distributienet) real-time te verwerken en te gebruiken voor de sturing van de primaire processen. Vitens past daarmee dus goed in de doelgroep van het congres.

Het congres had uiteraard een sterke commerciële inslag, maar dat lag in de lijn der verwachtingen. Ik heb met name presentaties bijgewoond van andere netbeheerders uit verschillende sectoren (telecom, energie en water) . Het was leerzaam en inspirerend om te horen hoe zij hun bedrijfsvoering moderniseren, en hoe zij de transformatie naar data-gestuurde bedrijfsvoering maken. Dit zijn de lessen die ik eruit heb gehaald:

  • Door gestandaardiseerde, eenduidige (enkelvoudige bron, één waarheid) en hoogwaardige data wordt het eenvoudiger om de bedrijfsvoering te stroomlijnen. Zo wordt het bijvoorbeeld mogelijk om revisies in GIS bijna volledig te automatiseren. Ter plaatse verricht werk leidt automatisch tot registratie van de nieuwe waarheid in de bronsystemen. Het wordt hierdoor ook mogelijk om twee (of meer) veldwerkers over grote afstanden te laten samenwerken. Ter plaatse ziet elk van hen precies wat nodig is om gezamenlijk schakelwerk veilig te kunnen verrichten.
  • Door de nadruk te leggen op de optimale ondersteuning van gebruikers van informatievoorzieningen, vergroot je hun effectiviteit en efficiëntie. Deze voorzieningen moeten eenvoudig zijn in gebruik (prachtige, concrete principes hier zijn bijvoorbeeld: het werkt zo eenvoudig als Google Maps, en alles in één window) . Ook moet precies die informatie worden geleverd die nodig is op het moment, ter plaatse en voor de taak van deze gebruiker. Hier wordt het belang van de toegankelijkheid en betrouwbaarheid van essentiële informatie sterk zichtbaar.
  • Integrale toegankelijkheid van actuele data over de toestand van het distributienet maakt het mogelijk om de bedrijfsvoering te verschuiven van centraal naar decentraal. De controlekamer wordt als het ware mobiel waardoor bedrijfsvoering ter plaatse kan worden gedaan. Daarmee wordt het mogelijk om eigenaarschap en verantwoordelijkheid van delen van het net dynamisch te verdelen als dat nodig is (bijvoorbeeld bij grote verstoringen als gevolg van storm of andere rampen).
  • Applicatie-silo’s met eigen, specifieke datamodellen bemoeilijken de integrale toegankelijkheid van data. Het is lastig om ervoor te zorgen dat ter plaatse kan worden beschikt over betrouwbare, actuele data. Dit zag ik in meerdere presentaties terug komen. Dit vormt doorgaans een grote uitdaging. Een overkoepelend, logisch datamodel dat de silo’s verbindt, is hier de route naar succes. Andere belangrijke succesfactoren hierbij zijn eigenaarschap en ketenbesef (bewust zijn van jouw positie in een procesketen, en jouw effect op die keten).

Zie je het patroon? Altijd ter plaatse. Met “ter plaatse” bedoel ik hier zowel het moment (de plaats in de tijd) als de locatie (plaats op de kaart). Data ontstaat ter plaatse, stroomt door de bedrijfsprocessen waarin het wordt geïntegreerd met andere data tot informatie. Deze informatie wordt meteen of later elders, maar wederom ter plaatse gebruikt.

Altijd ter plaatse. De bedrijfsvoering van een netbeheerder wordt gestuurd met data die op vele plekken tegelijk ter plaatse ontstaan, en de werkzaamheden die ter plaatse worden gedaan worden ondersteund met integraal toegankelijke, actuele en bruikbare informatie. Althans, dat is het streven. De op het congres gepresenteerde softwaretechnologieën kunnen dit mogelijk maken, maar de benodigde integrale toegankelijkheid van de data ontstaat niet vanzelf door het gebruik ervan. Deze softwaresystemen kunnen de data uit verschillende applicatie-silo’s met eigen, fysieke datamodellen, bij elkaar brengen, maar kan hier geen consistent geheel van maken zonder een overkoepelend datamodel. Het maken van zo’n datamodel vormt doorgaans een grote uitdaging, vernam ik op het congres. Wat in de praktijk dan goed werkt is om klein te beginnen, bijvoorbeeld eerst alleen voor één stuk van een procesketen, en deze iteratief door te ontwikkelen (agile).

Altijd ter plaatse. Benodigde informatie van de juiste kwaliteit komt overal waar het wezen moet. Klaar om te plukken, net als die rijpe citroenen.

Altijd ter plaatse. Als je het mij vraagt een uitstekend basisprincipe om te hanteren bij het ontwerpen en realiseren van ICT-vernieuwingen!

 

Data out there!

Een informatiesysteem zonder informatie is als een vrachtschip zonder vracht, als een handelsroute zonder handel en als een maanmissie zonder maan. De waarde en kwaliteit van een informatiesysteem wordt bepaald door de waarde en kwaliteit van de informatie.

Maar wat is informatie precies? Volgens wikipedia is de definitie van informatie als volgt: Onder informatie (van Latijn informare: “vormgeven, vormen, instrueren”) verstaat men in algemene zin alles wat kennis of bepaaldheid toevoegt en zodoende onwetendheid, onzekerheid of onbepaaldheid vermindert.

Op basis van die definitie zou je kunnen concluderen dat een informatiesysteem zonder informatie een dom (onwetend) systeem is.

Ik hanteer zelf graag de volgende eenvoudige definitie:

Informatie is een combinatie van gegevens (data) waarop je een beslissing kunt nemen.

Een informatiesysteem met slechte informatie leidt dus, heel kort door de bocht, tot slechte beslissingen.

Je ziet in “mijn” definitie overigens ook mooi het onderscheid tussen gegevens en informatie. Informatie is een aggregatie van gegevens. In de ideale situatie is een gegeven een geregistreerd feit. In de praktijk is de feitelijke waarheid  van een gegeven niet altijd 100% zuiver of nauwkeurig, maar data hoeven ook niet 100% zuiver te zijn om er informatie van te kunnen maken. Er mogen best afwijkingen zijn van het daadwerkelijke feit. Geografische informatiesystemen (GIS) bevatten liggingsgegevens (coördinaten) die afhankelijk zijn van de nauwkeurigheid van de (destijds) gebruikte meetinstrumenten bij de driehoeksmeting. Een foutmarge van enkele meters rondom de feitelijke ligging is niet abnormaal. Ondanks deze onnauwkeurigheid zijn GIS-data toch heel nuttig.

In ons dagelijks bestaan worden we meer en meer afhankelijk van data. Organisaties worden meer en meer data-gestuurd. Om die data te beheren en de kwaliteit ervan te beheersen richten die organisaties datamanagementprocessen in. Eigenlijk moet je ook niet spreken van slechte of goede data, maar van bruikbare en onbruikbare data. En daarnaast van nuttige en nutteloze data. Het nut van data bepaalt het belang van de kwaliteit ervan. De mate van bruikbaarheid wordt bepaald door de kwaliteit.

Datamanagement zou zich dan moeten richten op het managen van data die nuttig zijn. Maar wie bepaalt wat nuttig is en wat niet? Op die vraag heb ik zelf geen pasklaar antwoord. Nut zal variëren over de tijd. Nut heb je ook in gradaties, van handig tot noodzakelijk. In ieder geval mag je concluderen dat het nut en de kwaliteit van data bepalend zijn voor het nut en de kwaliteit van informatie.

Naast kwaliteit is er nog een andere bepalende factor voor de bruikbaarheid van data: de toegankelijkheid. Als je er niet bij kunt op het moment dat je het nodig hebt, kun je het niet gebruiken, hoe hoog de kwaliteit ervan ook is. Ontoegankelijke of onbereikbare data zijn sowieso onbruikbaar. Data moet ongehinderd door systeemgrenzen door de processen van een organisatie kunnen stromen. Zodat ze op de plekken terecht kunnen komen waar ze van nut zijn. Zodat deze data kunnen worden gecombineerd met andere data en nuttige en bruikbare informatie kan ontstaan.

Een informatiesysteem moet gebruikers voorzien van bruikbare informatie. De waarde en kwaliteit van een informatiesysteem wordt bepaald door de waarde en kwaliteit van de informatie. Daar begon ik dit stuk mee. Data vormen de basis-ingrediënten van de informatie. Zonder data geen informatie. Waardevolle data maakt waardevolle informatie. Zonder informatie zijn we stuurloos, dus verzamelen en koesteren we de data die we waardevol (nuttig en bruikbaar) achten. Data is van strategisch belang geworden, al is dat besef vaak niet overal in de organisatie aanwezig. Vaak beseft degene die data moet verzamelen en registreren onvoldoende het belang ervan voor de processen verderop in de keten. Het gebruiksgemak van de systemen waarmee we data registreren zijn hierop natuurlijk sterk van invloed.

Als slogan om dat koesteren van waardevolle data te benadrukken dacht ik laatst aan “Data inside”, naar voorbeeld van stickers op auto’s met “Baby inside”, maar zag daar meteen vanaf. Bij “inside” denk ik namelijk meteen aan afschermen. Afgeschermde data is minder toegankelijk, en daarmee minder bruikbaar. Deze voelt veel beter: Data out there!

Onberispelijk onder architectuur

Toen ik laatst een beetje rond doolde op Utrecht CS, omdat ik daar ineens tijd voor had, overkwam me plotseling een Aha-erlebnis. Dat is zo’n moment waarop er ineens weer een aantal dingen op hun plaats vallen doordat je eventjes buiten jezelf kon treden. Doordat je heel even met totale onbevangenheid om je heen kijkt. Op zo’n moment voel je ineens van binnen uit, weer zo’n verschil.

Even een stapje terug. Het station van Utrecht wordt momenteel helemaal verbouwd. De TO-BE Architectuur (waarvan hieronder een impressie) is jaren geleden bepaald, en wordt gestaag gerealiseerd.

UtrechtCS_04-480x309

Ik kom geregeld op dit station, enkele dagen per maand, en ik zie het nieuwe station langzaam en zeker ontstaan. Opvallend is dat het station ogenschijnlijk onverminderd haar functie kan blijven vervullen. Tijdens de bouwwerkzaamheden blijven de treinen en de reizigers (160.000 per dag!) gewoon komen en gaan. Toegegeven, de reiziger ervaart overlast door het vele lawaai en door het regelmatig veranderen van de looproutes naar de perrons, maar desalniettemin kan die reiziger gewoon per trein van, via of naar Utrecht reizen.

Mijn aha-erlebnis bestond hieruit: ineens zag ik écht in wat werken onder architectuur inhoudt. De verbouwing van station Utrecht is gericht op de modernisering en verbetering van de bestaande functie van het station, en de vergroting van de capaciteit van het station. Tijdens de verbouwing blijft het station gewoon operationeel. Het is een megaproject dat uit meerdere deelprojecten (bouwstappen) bestaat. Ieder deelproject is gericht op het realiseren van een stukje van die TO-BE-architectuur. Het woordje “gericht” is hier eigenlijk heel  essentieel. Richting, en de sturing op die richting is essentieel om dit mega-project tot een succes te kunnen maken.

Omdat mijn aansluitende trein naar Den Bosch was opgeheven, had ik ineens een half uurtje voor mezelf. Ik toog weer terug naar de grote stationshal. De verbouwing was al ver gevorderd. De laatste stukken “AS-IS-Architectuur” stonden in de steigers. Er omheen lagen tijdelijke “loopgangen”, zodat de reiziger zich nog van perron naar perron kan begeven. De loopgangen waren praktisch, niet esthetisch, en dienden duidelijk een tijdelijk doel. Ze worden weer afgebroken als ze niet meer nodig zijn. En toen gebeurde het. Ik dacht: Aha! Die tijdelijke loopgangen, dat zijn tijdelijk gedoogde architectuurafwijkingen! Maar hier zijn ze wél echt tijdelijk, worden ze onberispelijk weer afgebroken, en valt dat afbreken wél binnen het budget en de scope van het project (hoewel budgetoverschrijdingen van luttele 100-en miljoenen in dit soort projecten de norm lijkt).

8Iqu76S

Even later kwam ik uit in een prachtig stukje gerealiseerde TO-BE-architectuur. Ik vergaapte me aan de prachtige harmonie van de constructie, en de integratie met de omliggende architectuur.  Het geheel getuigt van visie. Een visie die ik in de afgelopen jaren, op de korte momenten dat ik me als reiziger door dit station verplaatste, beetje bij beetje waar zag worden. Dit is werken onder architectuur in optima forma. Dat dwingt – bij mij althans – groot respect af.

Utrecht-Centraal-009

Heel even speelde ik met de gedachte om nog een trein te missen. Heel even maar, want toen sleurde de waan van de dag me weer resoluut terug naar de werkelijkheid. Een werkelijkheid waarin we profijt kunnen hebben van diepzinnige Aha-erlebnisse zoals ik zoëven had. Weerbaarder dan ooit, trad ik mijn werkelijkheid weer met frisse moed tegemoet.

De architect is effectief een holistische überbemoeial

Blijkbaar, althans in mijn beleving, moet een architect zichzelf steeds opnieuw uitvinden. In ieder geval moet je in mijn ervaring steeds op zoek blijven naar de rol die je als architect moet vervullen. Dit heeft er misschien mee te maken dat architecten altijd zijn ingezet op complexe problemen (hier mag je ook “uitdagingen” invullen, maar “problemen” dekt de lading meestal beter) die zich afspelen in een zeer dynamische context.

Van een architect mag worden verwacht dat hij/zij veel kennis bezit en deze ook zeer snel kan uitbreiden. De architect moet in staat zijn om problemen vanuit allerlei invalshoeken te benaderen. De architect moet die problemen eigenlijk voor zijn door met de business mee te praten over nieuwe inzichten en ideeën alvorens deze de status van “issue”, “change request” of “project charter” krijgen. Ik noem mezelf dan ook dikwijls een überbemoeial.

Ja, ik vind bemoeizucht (grote betrokkenheid) een niet onbelangrijke eigenschap van een architect. Als je invloed wilt hebben op de ontwikkelingen bij de business en vooral de daaruit voortvloeiende ICT-veranderingen en -vernieuwingen, en daar op strategisch niveau over wil meepraten, dan moet je zorgen dat je een gesprekspartner wordt van de business. En dat wordt je niet alleen door je formele functie in de organisatie, maar vooral door je zichtbaarheid groot te maken. En dat doe ik door me proactief tegen die dingen aan te bemoeien waarvan ik vind dat ik er invloed op zou moeten hebben.

Door die grote bemoeizucht ben je na verloop van tijd bij een veelheid aan ideeën, initiatieven, issues, projecten en programma’s betrokken. Je wordt een spin in een uitermate dicht web. Alles houdt in zekere mate verband met elkaar. Als architect moet je in staat zijn om die verbanden te herkennen. Door je überbemoeizucht krijg je een holistische kijk op de zaken. En dat is mijns inziens de grote meerwaarde van een architect: het holistische perspectief.

Onlangs werd me dit heel duidelijk toen me werd gevraagd of ik ook eens kon nadenken over competentieprofielen. Door de vraag vanuit een holistisch perspectief te benaderen, kon ik de benodigde competentieontwikkeling vrij eenvoudig duiden. In de afgelopen periode heb ik me, naast diverse projecten, intensief bezig gehouden met informatieplannen en een overkoepelende afdelingsvisie en overkoepelend informatiebeleidsplan. Het informatiebeleidsplan beschrijft de wijze waarop de afdeling in de komende 5 jaar haar eigen visie en daarmee de visie van de business wil realiseren. Het is een koersbepaling op de visie. De koers gaat langs een aantal etappes, en bij iedere etappe hoort een aantal concrete resultaten die behaald moeten zijn. Op basis van deze koersbepaling kan dus niet alleen de organisatie en operatie van de afdeling worden ingericht, maar ook de competentieontwikkeling.

Kortom: omdat ik bij veel zaken (vroeg) betrokken ben (lees: mij tegen van alles en nog wat aan bemoei), en omdat ik daardoor in staat ben om verbanden te zien tussen al die zaken, kon ik een ingewikkelde vraag over een onderwerp waar ik me nog niet eerder mee had beziggehouden, heel effectief beantwoorden. En daarmee heb ik mijzelf wederom uitgevonden: als architect ben ik effectief een holistische überbemoeial.